Ergens in 1988 zat ik samen met een klasgenoot in de studeerkamer van prof. Kamphuis in Kampen. We zaten daar nogal bedremmeld, twee 15 jarige jongens die bij een professor op bezoek mogen komen. Tussen indrukwekkende rijen boeken zaten we in een, naar mijn beleving, krappe kamer direct onder het schuine dak.
Het bericht van zijn overlijden lezend kwamen de herinneringen weer boven.
Ik had een scriptie geschreven over ‘literatuur en ethiek’, mag je schrijven zoals ‘t Hart of Wolters? (dáár maakten we ons op school toen druk over). Het onderwerp was ‘way over my head’ en pas véél later zou ik überhaupt iets van kunstkritiek gaan begrijpen. Maar op die bewuste middag waren we met de trein naar Kampen gegaan en kregen we thee van mevrouw Kamphuis. Van het gesprek heb ik vrijwel geen herinnering meer, behalve dat hij veel sprak met energie, moeilijke woorden maar ook als typische meester
In de jaren daarna begon de grote afrekening, de GKv ontwikkelde zichzelf verder vanuit de kerk die ze geworden was in de jaren zestig en zeventig tot wat ze nu is: de grote onzekerheid. In mijn studietijd heb ik alle stukken over 1944 en 1967 die in onze familie overgeleverd werden (Rotterdam-Delfshaven oa) eens doorgespit. Mijn opa Van Loo en oude Kamphuis streden voor dezelfde idealen. Beiden waren echte docenten, de stijl van mijn opa kon ik beter hebben maar mét alle energie die in die tijd gebruikelijk was droop de passie voor hun Heer en Zijn kerk van iedere pagina. Felheid was gebruikelijk in die tijd, ze kreeg voet aan de grond in de GKv. Een felheid die de GKv én NGK als organisaties met ieder een eigen cultuur beiden zwaar heeft beschadigd om van individuele gelovigen dan nog maar te zwijgen. De GKv, NGK en ‘synodalen’ zijn hun eigen weggegaan, de jaren veertig én de ruige jaren zestig zijn voorbij. Terugkijken moeten we concluderen dat geen van de kerken meer is wat ze ooit was én geen van de kerken is geworden wat de voormannen van toen ervan gedroomd hebben. Hoogstens komt de NGK nog een beetje in de buurt, misschien hebben zij nog wel het minst ongelijk gehad.
Eén ding is me helder bij gebleven van dat gesprek in 1988. We kwamen op het onderwerp ‘wat is nu eigenlijk literatuur?’. Met z’n beroemde vinger in de lucht zei prof Kamphuis “Literatuur is geïntensiveerde taal. Er staat niet: ‘Geslachten gaan geslachten komen’. NEE…. er staat: ‘Geslachten gaan, geslachten zullen komen’. Daarna volgt: “wij zijn in uw ontferming opgenomen. Wij mogen bouwen op de vaste grond, van uw beloften en van uw verbond”

No comments yet.